Verstandelijk gehandicaptenzorg
Menu

Op vakantie met Gerben

14 augustus 2019 Door de redactie Geen reacties

Tijdens een bewonersvakantie moeten cliënten plezier hebben, maar met Gerben lukte dat niet. Het komt zelfs zo ver dat ik midden in de nacht met hem naar huis moet rijden, schrijft begeleider Frans van Duijn. | Illustratie Joep Bertrams

In bungalow 326 in een Landalpark te Reuver (Limburg) was Gerben (54) niet te harden. Gerben, altijd in colbert met stropdas, vond niks leuk en pestte andere cliënten met nare opmerkingen. Ook mijn collega’s bleven niet gespaard. Zo moest de zwarte Marcella steeds weer aanhoren dat Gerben trek had in ‘negerinnen met slagroom’.

In bungalow 325 had ik het beter getroffen. Met collega Michel begeleidde ik vier enthousiaste vakantiegangers. Maar Gerben wilde naar huis, naar zijn eigen stekkie op het instellingsterrein in Heemstede. Volgens collega’s Maria en Marcella was hij onhandelbaar en kon het zo niet verder. Afgesproken werd dat ik Gerben de volgende ochtend vroeg in mijn Fiat 500 naar huis zou rijden.

Meteen!
Die avond lagen al onze cliënten al op bed, toen Maria plots onze bungalow binnen viel. Gerben had een uurtje geslapen, dacht dat het al ochtend was en wilde weg. Meteen! Hij had zich al aangekleed en zijn reistas klaargezet. Er viel écht niet aan te ontkomen.

Na kort overleg pakte ook ik mijn spullen. In dat overleg kwam de aanpak van Gerben ter sprake, want hij en ik kenden elkaar nog maar net. Wat later werd een gespannen Gerben door Maria op de achterbank van de Fiat geïnstalleerd. Z’n medicijnen gingen in het dashboardkastje. Daarna nam ik afscheid van de collega’s en koerste richting Venlo.

Tekens van troost
Rust was voor Gerben het beste, dus liet ik radio en cd-speler uit. Mijn passagier hield de ANWB-borden scherp in de gaten en noemde hardop de plaatsnamen en afstanden. “Nijmegen 15,” klonk het vanaf de achterbank. En wat later: “Eindhoven 30.” En nog wat later: “Zaltbommel 20.” De met licht beschenen borden waren een soort tekens van troost voor hem; in mijn achteruitkijkspiegel zag ik dat zijn gezicht ontspande.

Bij IJsselstein kwam er een kink in de kabel. Vanwege werkzaamheden was er een omleiding: fel verlichte hekken en pijlen verwezen ons naar B-wegen. In de spiegel hield ik Gerbens gezicht in de gaten. De omweg kostte ons een half uur, maar Gerben gaf geen krimp. Wel plukte hij iets meer aan zijn snor, dat was alles.

“Amsterdam 25,” zei Gerben, wiens humeur steeds zonniger werd nu we zijn huis naderden. Toen het bord ‘Haarlem’ opdoemde kneedde hij zachtjes mijn schouder en streek langs mijn wang.

Thuis
Wat later, rond half drie ’s nachts, schuifelde hij naar zijn favoriete stoel en stak een sjekkie op. Met een glimlach droeg ik mijn medereiziger over aan een collega van de nachtdienst en dacht: voor Gerben is het mooiste van de vakantie het thuiskomen.  |  Frans van Duijn