Kenniscentrum verstandelijk gehandicaptenzorg
Menu

Gehechtheid en ontplooiing zijn nodig voor aankunnen

13 april 2012 Door de redactie Geen reacties

Kunnen of aankunnen, dat geldt voor cliënten, maar net zo goed voor zorgverleners. We weten veel, maar kunnen wij onze kennis ook toepassen in de praktijk? Daarmee opende Ad van Leeuwen, bestuurder van Ons tweede thuis (Aalsmeer) het symposium Kunnen en Aankunnen op 12 april. Kunnen en aankunnen heeft alles te maken met gehechtheid en ontplooiing, zo stelde Carlo Schuengel, hoogleraar ontwikkelingspedagogiek aan de Vrije universiteit in Amsterdam, in zijn lezing op het symposium.

Hij ging in op de vraag: Hoe kan je de relatie tussen hulpverlener en cliënt inzetten om de cliënt te helpen zich te ontplooien? Uit eerder onderzoek onder cliënten en begeleiders kwam naar voren dat beide groepen niet hetzelfde denken over bepaalde onderwerpen. Waar ze het over eens zijn is: dat een begeleider warm, responsief en niet betuttelend moet zijn. Maar cliënten beoordelen hun ervaring met de volgende onderwerpen veel positiever dan begeleiders: leermogelijkheden, therapie en diepgaande gesprekken. En omgekeerd zijn ze veel negatiever dan begeleiders over: hun mogelijkheden om zelf te beslissen over eten en drinken, seksualiteit, uitgaan, klusjes, over dagelijkse vaardigheden, veiligheid en stabiliteit in het team. Ze vonden dat ze op al die dingen te weinig invloed hebben.

Hoe is dat verschil te verklaren? Invloed hebben heeft te maken met zelfregulatie: doelgericht iets willen, en dan zelf stappen zetten om het te realiseren. "Dat vereist inspanning," zei Schuengel, "waardoor je uitgeput kunt raken. Elk mens kan – volgens de Maslov-piramide, zich pas met bepaalde zaken bezig houden als in elementaire behoeftes is voorzien. Wie geen eten heeft, kan zich niet druk maken om relaties. Mensen zijn een groot deel van de tijd bezig met hun directe behoeftes. Wie voortdurend zijn impulsen opzij moet zetten, raakt uitgeput en moet zich weer opladen. Hoe help je een cliënt daarbij, en wanneer is de grens van zijn 'kunnen' bereikt?"

Hand vasthouden
Schuengel vertelde over hersenonderzoek naar hoe mensen reageren op stress. Wat heel erg helpt bij stress: hand vast houden. Wie enge dingen meemaakt, laat tijdens een Mri-scan sterke activiteiten in het prefrontale deel van de hersenen zien. Zo sterk, dat de rest van de hersenen nauwelijks functioneert. Als zo'n proefpersoon in de scanner de hand voelt van een vertrouwd iemand, nemen de angstactiviteiten in de hersenen sterk af, en helemaal als die iemand een liefhebbende partner is. Daardoor ontstaat er weer ruimte voor andere hersenactiviteiten. Behalve dat veilige gevoel van een vertrouwd, steunend persoon die je hand vasthoudt als je bang bent, moet je ook oefenen met zelfregulatie: bied jouw cliënt de hand als hij die nodig heeft om zich veilig te voelen, en geef hem de ruimte, spoor hem aan, om nieuwe dingen te proberen.

Cirkel van veiligheid
Schuengel liet het publiek de 'cirkel van veiligheid' zien, een tekening die is gemaakt om ouders inzicht te geven in hoe ze het beste kunnen ingaan op de behoefte van hun kind aan veiligheid en onderzoekingsdrift. De tekening helpt ook begeleiders om inzicht te krijgen in de behoeftes van hun cliënt op dat gebied. "Iedereen heeft behoefte zich te ontwikkelen voor een sympathiek publiek. Dat betekent dat iemand jouw plezier daarin deelt, dat hij op je let, en beschikbaar is als veilige haven. De ouder helpt hevige emoties binnen de perken te houden, zodat het kind de nieuwe dingen veilig kan ervaren. Hij weet dat hij wordt opgevangen als het mis mocht gaan, zodat hij zich kan herstellen en verder op zoek kan gaan." Deze sensitieve houding van opvoeders is onder meer onderzocht in het onderwijs. Kinderen in klassen met zulke leraren doen het cognitief veel beter.

Hechting van begeleiders
De aanpak is uitgeprobeerd bij ernstig meervoudig gehandicapte cliënten van Bartiméus, waar begeleiders met behulp van videointeractie hun eigen reacties op gedrag van cliënten bestudeerden, bespraken en trainden. Schuengel: "Zodra er interactietraining werd gegeven, schoot de kwaliteit van het contact met cliënten vooruit. De begeleiders kregen meer oog voor initiatieven van cliënten, en sloten er beter op aan. Het contact werd veel plezieriger voor beiden. Wat opviel in het onderzoek was dat juist begeleiders die zelf een verleden hadden met hechtingsproblemen, met sprongen vooruit gingen in hun vaardigheid om intensief contact te maken met cliënten."

Wil je reageren op dit artikel? Log dan in als abonnee!