Verstandelijk gehandicaptenzorg
Menu

Blog Kofi: geen contact in coronatijd

19 mei 2020 Karin Bokhove Geen reacties

Ik mag niet langs Kofi. Helemaal niet. Nodeloos om te zeggen dat het me fysiek pijn doet. Hij is zo dichtbij en toch zo ver weg. Karin Bokhove schrijft hoe ze het contact verliest met haar zoon Kofi, die autisme en een verstandelijke beperking heeft, door de coronamaatregelen.

We beeldbellen. Soms ligt Kofi in het gras te soezen. De begeleider brengt het scherm vlak voor zijn gezicht, en ik begin virtueel te kroelen in het suikerzoete mama-praat-tegen-kleuter stemmetje dat ik altijd opzet, ook al is hij onderhand 26. En tegelijkertijd voor eeuwig anderhalf.

Dan drukt Kofi zijn neus tegen mijn virtuele wang zodat het scherm zwart wordt. Toch blijft hij hermetisch afgesloten, onbereikbaar, onaanraakbaar.

‘Tegen echte nabijheid kunnen geen woorden tegenop’

Het is natuurlijk prachtig dat beeldbellen, meer dan niks. Maar op zo’n moment besef je de rijkdom van echte nabijheid.

Dat bombardement van zintuigen; de muffe lucht van droge haren, zijn adem waaraan ik kan peilen hoe hij zich voelt, de achterlijke hoeveelheid goedkope deodorant die ze onder zijn oksels spuiten en waar zijn geur toch altijd weer triomfantelijk doorheen weet te breken, de lichte druk van vel tegen vel, neus tegen neus. Er ligt een nabijheid in besloten, waar geen woorden tegenop kunnen.

Safety first
Mijn gevoelens van de afgelopen maand hebben alle registers aangetikt. Opluchting dat de instelling eindelijk actie ondernam. Geïrriteerdheid dat contact met verwanten zo dun was. Dankbaarheid dat Kofi met een kleine groep begeleiders veilig in zijn holletje zat. Begeleiders die ineens heel goed worden in whatsappen. Het schouders-eronder-niet-zeuren-je-komt-die-drie-weken-wel-door gevoel. Safety first!

Het niet weg te meppen stemmetje dat onheilspellend in mijn oor zoemde dat dit natuurlijk veel langer ging duren. Lichte irritatie dat de verlenging van de lock-out blijkbaar zo vanzelfsprekend was, dat er niet opnieuw contact met ons ouders werd gezocht. Afgekoppeld, zijn we, als overbodige ballast.

De neiging om mijn auto te pakken, heimelijk over het terrein van de instelling te sluipen en dan onverhoeds toe te slaan wanneer Kofi een ommetje maakt met de groep; of, fietsers die nog steeds vrijelijk over het terrein zwieren, neer te meppen; of net als kinderen van bejaarde ouders, buiten met mijn neus tegen het raam van zijn huiskamer te gaan staan. Wat ik natuurlijk niet doe, want dat zou wreed zijn omdat Kofi dan persé mee naar huis zou willen. Nog erger, me even zou aankijken en zich dan met hangende schouders wegdraaien.

Papa en mama komen niet meer
Want ook Kofi heeft de afgelopen weken een weg afgelegd. De eerste dagen liep hij af en aan met onze foto, keek naar buiten en wees; waar is die rode auto van mama nou? Wanneer ik belde keek hij me minutenlang aan, zonder met zijn ogen te knipperen. Ik las zijn vraag en zei met een zielig stemmetje, “Mama mag niet in de auto. Mama mag niet komen. De mensen zijn ziek.” Hij begreep er natuurlijk geen bal van.

En nu, na wekenlange afwezigheid, legt hij zich langzaam maar zeker neer bij het onvermijdelijke, papa en mama komen niet meer. Het zijn net begeleiders. Ze zullen wel een andere baan hebben gevonden. Hij laat onze foto liggen, kijkt niet meer naar buiten en wanneer ik bel loopt hij weg.

“Je komt toch niet meer,” zegt zijn rug.  |

Aflevering van het weblog 'Het kleine leven van Kofi', door Karin Bokhove, moeder van Kofi. Zij schreef ook het boek Kofi, het kleine leven van een autist.