Er is een familiedag op de woonvoorziening. Het is mooi weer en de barbecue staat aan. Te midden van al deze bedrijvigheid speelt Anne met haar gehandicapte broertje op het gras. | Illustratie Josje van Koppen
Bij de familiedag van de woning kijk en luister ik naar Anne, een jong meisje van 11, dat met haar gehandicapte broertje aan het spelen is. Ze is opgegroeid tussen schema’s, doktersafspraken en momenten waarop alles stilvalt omdat hij overprikkeld raakt.
Wachten
Waar andere kinderen leren delen, leert zij wachten. Wachten tot haar moeder tijd heeft, wachten tot haar verhaal verteld kan worden, wachten tot het, heel eventjes, niet om hem draait.
Er zijn vast dagen dat ze hem vervloekt. Dat ze wenst dat hij ‘gewoon normaal’ zou zijn. Dat ze niet altijd de sterke hoeft te zijn en verantwoordelijk.
Ze voelt zich soms misschien schuldig, omdat ze ergens ook weet dat haar broertje hard moet vechten voor dingen die voor haar vanzelfsprekend zijn.
Hand
Terwijl ik zo naar haar kijk, zie ik dat hij haar hand vastpakt. Hij wil gaan staan. Hij houdt haar vast alsof zij zijn anker is.
Anne pakt zijn andere hand. “Jan Huigen in de ton..”, begint ze, een beetje overdreven zingend, zodat hij het ritme kan volgen.
Vallen
Ze beginnen te draaien. Eerst voorzichtig, dan sneller. Hij houdt haar stevig vast. Zijn lach wordt hoger. Haar stem slaat over in een schater “En de ton die viel in… duigen.”
Ze vallen ook echt. Onhandig, in een kluwen van armen en benen. Het gras dempt de klap. Hij rolt half over Anne heen, nog steeds lachend. Vallen hoort bij het spel, vallen hoort bij het leven, heel vanzelfsprekend.
![]()
Illustratie Josje van Koppen
Samen blijven ze nog even liggen. Ze kijken naar de lucht. In deze stilte gebeurt er ook iets tussen deze twee jonge mensen. De stilte is een soort tussenwereld. Tussen spel en zorg, tussen kind zijn en verantwoordelijk voelen. Er hoeft even niets. Alleen even liggen en samen zijn. Een plek waar alles samen komt.
Inmiddels komt er een bezorgde begeleider kijken. “Gaat het goed hier?”
Anne knikt. Het moment is voorbij. Tijd om op te staan. En, terwijl ze gaat staan, ondersteunt ze haar broertje. Dit is hoe zij samen spelen, dit is hoe zij samen vallen, hoe ze samen zijn en hoe ze weer opstaan.
“Ja hoor,” zegt ze een beetje buiten adem, “we oefenen gewoon.”
Vertaler
Anne weet het zelf nog niet, maar ze is niet alleen de zus van een gehandicapt broertje. Dit, onbewuste, antwoord laat het duidelijk zien. Ze is ook een vertaler van twee werelden. Tussen wat gezegd kan worden en wat alleen gevoeld.
Haar broertje begint alweer te neuriën. Ongeduldig tikt hij op haar arm. Anne helpt hem verder overeind, klaar voor nog een ronde. | Margreet Pereboom, speltherapeut