Hechtingsproblemen signaleren bij mensen met een verstandelijke beperking

Den Bosch, 10 juni 2018 00:30 | Tjitske Gijzen

Hechtingsproblemen zie je veel terug in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Wanneer ben je veilig of onveilig gehecht? En welke invloed heeft dat op hoe iemand omgaat met relaties, spanning en stress? Coach en trainer Mieke Janssens gaf daarover uitleg op de Klik studiedag van 8 juni in Den Bosch.

Veel gedrag van mensen met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek komt voort uit hechtingsproblemen. Hoe begeleid je mensen die een onveilige basis hebben? Dat begint bij signaleren en begrijpen hoe mensen reageren op spanningsvolle situaties en relaties. Dat maakte Mieke Janssens duidelijk op de Klik studiedag van 8 juni in Den Bosch over Onveilige hechting, met behulp van het spel van trainingsacteur Rob Marinus.

hechting10nov17miekeBij hechting ga je terug naar de basis. Je bent zelf gehecht of niet in je eerste jaren. Aan een belangrijke ander: meestal je ouders, of bijvoorbeeld je opa en oma als die voor je zorgden. Er zijn steeds meer theorieën dat hechting zelfs al tijdens de zwangerschap ontstaat. Het heeft dan al invloed of het kind gewenst is, doordat de moeder de buik bijvoorbeeld minder aanraakt.


Veilig gehecht
Van invloed op de hechting van een kind is of en hoe de ouder, 'belangrijke ander' reageert bij spanning of stress van het kind. Een veilige hechting helpt je bij het ontwikkelen van een positief zelfbeeld, geweten, strategieën om met spanning en stress om te gaan en het aangaan van relaties. Daarvoor heb je ouders nodig die sensitief, betrokken of verzorgend zijn: je bent er als het kind huilt en weet wat het nodig heeft.

Een veilige hechting ontstaat als ouders/verzorgers je helpen om de verschillende hechtingsfases goed te doorlopen:

  1. 0-6 maanden: Adaptatiefase. Een kind kan nog weinig en reageert alleen op lust/onlust. Knuffelen, veiligheid, geborgenheid en nabijheid zijn belangrijk.
  2. 6-18 maanden: Socialisatiefase. Samen de wereld verkennen, wederkerigheid en zelfs symbiose in de relatie, twee is een.
  3. 18-36 maanden: Individuatiefase. Een kind wordt opstandig, krijgt een eigen wil en wil dingen zelf doen. Er ontstaat meer afstand, toch kan het kind niet zonder de belangrijke ander.
  4. 3 – 7 jaar: Identificatiefase. Meer loslaten, vertrouwen en nabijheid op afstand.
  5. 7- 12 jaar: Realiteitsbewustzijnsfase. Zelfverzekerder in het contact met anderen. Ook zonder de belangrijke ander situaties aankunnen en contact maken.

Deze fases komen ook terug in de theorie over de emotionele ontwikkeling. Door te kijken in welke fase een cliënt zit, zie je waar het gedrag vandaan komt en wat iemand nodig heeft.

Overvragen
Veel cliënten komen niet verder dan de eerste drie fases. 
Overvragen gebeurt bij deze mensen vooral op het emotionele niveau, bijvoorbeeld als een visie op eigen regie voorbijgaat aan wat mensen aankunnen. Met vaak woedende uitbarstingen tot gevolg, zeker als mensen niet veilig gehecht zijn.

Onveilig gehecht
Als een kind in de eerste jaren geen onvoorwaardelijk beschikbare, aanwezige ouder heeft, dan raakt het onveilig gehecht. Veel mensen met een (licht) verstandelijke beperking en psychiatrische problemen hebben zo’n onveilige basis.

‘Pesten is testen’

Hun houding naar andere mensen is te typeren in drie woorden: alert, achterdocht en wantrouwen. Ze scannen jou op je echtheid en of je blijft staan en stabiel blijft. Pesten is testen: ze lokken je uit om te zien of jij er voor ze bent en blijft.

De kunst is om als begeleider niet in een hoge EE (expressed emotion) te schieten, waarbij je je frustratie of onmacht verbaal of non-verbaal uit naar de cliënt. Probeer in een lage EE te blijven: mensen hebben begeleiders nodig die betrouwbaar zijn en hun in het hier en nu houden.

Te taakgericht
Vaak komen we te taakgericht binnen en vergeten we een verbinding aan te gaan, zo maken Mieke en Rob duidelijk in een sketch. Rob speelt de cliënt die zijn appartement dreigt uitgezet te worden vanwege geluidsoverlast. Mieke komt langs als begeleider om erover te praten en maakt duidelijk dat ze 'er helemaal klaar mee is'. Ze komt alleen niets verder door bij Rob erop te blijven hameren dat het afgelopen moet zijn met het lawaai na 10 uur 's avonds. 

In een tweede versie van de sketch maakt ze eerst wel even rustig contact met een praatje over het concert dat hij kijkt en gaat ze oplossingsgericht te werk: wat helpt hem om de tijd niet te vergeten? Belangrijk daarbij is dat ze hem om een akkoord vraagt om advies te geven, om weerstand te voorkomen. Het voorstel voor een appje van de begeleider tegen tienen om het geluidsvolume wat af te bouwen blijkt beter aan te sluiten.

Ze reguleert zijn emoties en laat hem zijn boosheid uiten, maar voedt deze niet door erop te reageren met een hoge EE. Met een ontspannen houding, de cliënt meer laten praten, hoef je eigenlijk als begeleider minder te doen, zo wordt duidelijk. 

Hechtingsstijlen
Er zijn verschillende onveilige hechtingsstijlen en manieren waarop iemand die niet veilig gehecht is reageert op spanningsbronnen:

  1. Angstig ambivalent: het basisvertrouwen mist, door een hechtingsfiguur die de ene keer lief is en de andere keer boos. Omstandigheden als verslaving of scheiding, maar ook de beperking van het kind zelf (bijvoorbeeld autisme) kunnen er voor zorgen dat hechtingsfiguren minder beschikbaar en responsief zijn/contact maken.
    Gevolg: het kind/de cliënt komt onzelfstandig over, is afhankelijk en krijgt verlatingsangst (ook bijvoorbeeld bij zwangere of vertrekkende begeleiders speelt dit op), claimt aandacht in relaties, soms egocentrisch.
  2. Angstig vermijdend: ouders waren er wel, maar gaven geen liefde.
    Gevolg: het kind zoekt geen contact, komt zelfstandiger over dan het is en vindt het moeilijk om relaties aan te gaan (bindings- en faalangst).
  3. Gedesorganiseerd: combinatie van beide bovenstaande hechtingsstijlen.
    Gevolg: geen zelfvertrouwen, chaotisch gedrag, mensen scannen een situatie: hoe ga ik hier mee om? Reageren zowel met weglopen, 'flippen', zichzelf ‘uitschakelen’ (out gaan) als claimgedrag bij spanning.

Spelsituatie
Je helpt mensen door te achterhalen waar de spanningsbronnen zitten. Zo speelden Rob en Mieke samen met een van de aanwezige begeleiders een scene waarbij Rob als cliënt trots zijn moeder (Mieke) belt dat hij zelf naar de winkel is gegaan om tandpasta te halen. Zijn moeder is woest als ze hoort dat de begeleider niet mee is gegaan. Een wijze les voor de begeleider om altijd eerst de ouders te betrekken. 

Klik studiedag hechting 8 juni 2018 Rob

Vaak speelt bij ouders ook verlatingsangst, waardoor ze hun kind blijven beschermen en niet laten exploreren. Als zij beseffen dat de oorzaak in de hechting ligt, kan de knop opeens omgaan en lukt het wel om samen met hun kind naar de volgende fase te gaan van meer vertrouwen en nabijheid op afstand. Daarvoor is veel diplomatie nodig, zowel naar de cliënt als naar ouders toe.

Ook speelden ze een situatie waarin Mieke een vrouw met een licht verstandelijke beperking is die niet wil kennismaken met de nieuwe vriend van haar moeder. Als begeleider Rob dit niet aan haar moeder wil vertellen, ontploft ze. Bij het nabespreken blijkt de vrouw nog in de eerste hechtingsfase te zitten. Je helpt haar door terug te gaan naar wat zij nodig heeft: vooral iemand die bij haar is, haar emoties erkent en moeilijke dingen even van haar overneemt.

‘Een dun lijntje tussen lief en explosief’

Een graad erger is als mensen helemaal geen hechtingsfiguren hebben gehad in hun eerste levensfase. Mensen met een reactieve hechtingsstoornis voelen zich daardoor meestal afgewezen en ongewenst. Er is bij hen daardoor een dun lijntje tussen lief en explosief. Ze hebben niet geleerd om met spanning om te gaan, alleen om het op te zoeken of te mijden. Ze zijn hierdoor verslavingsgevoeling (copingstrategie: dempen van prikkels) en/of automutileren (spanning zoeken, aandacht vragen door lichamelijk te reageren op spanning).

Methode ARGOS
Met behulp van de werkbladen uit de methode ARGOS help je mensen overzicht, inzicht en uitzicht te geven. Het gaat altijd om Angst, waarbij duidelijke communicatie en ordenen helpt (Geef me de 5: leg uit wie, wat, waar, wanneer, hoe gaan we het doen). 

Wil je vooral aan de Relatie werken, besef dan dat deze cliënten je juist gaan negeren of afstoten, dat komt te dichtbij. Begeleiders die teveel willen helpen lopen het risico door deze mensen in een burnout te raken door het voortdurende aantrekken en afstoten in de relatie. Rollen verdelen in een team, of rouleren van pb-ers kan helpen. Of juist blijven staan ondanks boos gedrag, zodat mensen voelen: zij is er voor mij. Nog een tip: laat deze cliënt zelf nieuwe collega's inwerken, om de angst te voorkomen dat iemand niet weet wat voor hem of haar belangrijk is.

Flitspalen
Mensen hebben geen Gewetensontwikkeling, waardoor het houden aan afspraken (iets wat vaak geëist wordt in de begeleiding) niet goed lukt. 
De woorden afspraken, moeten en waarom roepen sowieso veel allergie op. Hoe minder regels, hoe beter. Afspraken werken alleen als je iemand er ook bij kan helpen. In de methode ARGOS noemen ze dat ‘zichtbare flitspalen’: voorspelbare controles die iemand de mogelijkheid geven om zich aan de regels te houden. 'Geen bezoek na 10 uur' is bijvoorbeeld een niet-haalbare afspraak, als er dan geen begeleider meer is die het controleert.

Houd er ook rekening meer dat mensen in hun Overlevingsgedrag moeite hebben met groepsprocessen. Laat mensen niet gedwongen samen eten bijvoorbeeld en zorg dat ze bij groepsmomenten een 'vluchtroute' hebben. Bespreek bijvoorbeeld vooraf dat ze ook naar hun kamer kunnen gaan als ze niet meer bij een groepsmoment willen zijn.

‘Lichamelijke inspanning zorgt voor positieve ontlading’

Door de constante Stress die mensen ervaren, kunnen ze overmatig transpireren (letterlijk angstzweet) en ook last hebben van veel andere lichamelijke klachten. Zorg voor structuur in de dag en een afwisseling in inspanning en ontspannen. Lichamelijke inspanning zorgt voor positieve ontlading.

Met behulp van de werkbladen uit de methode ARGOS bekeken de deelnemers van de studiedag aan de hand van eigen casuïstiek welke spanningsbronnen zij bij hun cliënt herkenden. De deelnemers namen voor hun zoektocht hiernaar in de praktijk in ieder geval een flinke dosis kennis en voorbeelden mee om de ondersteuning op aan te passen.  |

Mieke Janssens coacht en traint teams in de zorg, zie www.concretecoaching.eu.
Meer langere artikelen lezen over de ondersteuning van mensen met een verstandelijke beperking? Word abonnee van Klik. Dan kun je ook een Klik-artikel lezen over de methode ARGOS: