Hechtingsproblemen signaleren bij mensen met een verstandelijke beperking

Den Bosch, 14 november 2017 12:10 | Tjitske Gijzen

Hechtingsproblemen zie je veel terug in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Wanneer ben je veilig of onveilig gehecht? En welke invloed heeft dat op hoe iemand omgaat met relaties, spanning en stress? Coach en trainer Mieke Janssens gaf daarover uitleg op de Klik studiedag van 10 november in Den Bosch.

Veel gedrag van mensen met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek komt voort uit hechtingsproblemen. Hoe begeleid je mensen die een onveilige basis hebben? Dat begint bij signaleren en begrijpen hoe mensen reageren op spanningsvolle situaties en relaties, zo maakte Mieke Janssens met behulp van het spel van trainingsacteurs Rob Marinus en Natasja van Wenkop duidelijk op de Klik studiedag van 10 november in Den Bosch over Onveilige hechting.

Bij hechting ga je terug naar de basis. Je bent zelf gehecht of niet in je eerste jaren. Aan een belangrijke ander: meestal je ouders, of bijvoorbeeld je opa en oma als die voor je zorgden. Er zijn steeds meer theorieën dat hechting zelfs al tijdens de zwangerschap ontstaat. Het heeft dan al invloed of het kind gewenst is, doordat de moeder de buik bijvoorbeeld minder aanraakt.


Veilig gehecht
In de jaren vijftig van de vorige eeuw raakte er steeds meer bekend over wat er zo belangrijk is voor een veilige hechting. Als een kind het eerste en tweede jaar de natuurlijke ontwikkeling goed doorlopen heeft, dan is het veilig gehecht. Een veilige hechting helpt je bij het ontwikkelen van een positief zelfbeeld, geweten en het aangaan van relaties. Daarvoor heb je ouders nodig die sensitief, betrokken of verzorgend zijn: je bent er als het kind huilt en weet wat het nodig heeft.

Het omgekeerde werkt belemmerend: ouders die voldoende aanwezig zijn als het kind hen nodig heeft of een overbezorgde ouder die het kind te weinig ruimte geeft. Het gaat er om dat ouders je ook leren exploreren, anders is er het gevaar dat het kind blijft steken in een lager niveau. Een veilige hechting ontstaat als ouders/verzorgers je helpen om de verschillende hechtingsfases goed te doorlopen:

  1. hechting10nov17spel10-6 maanden: Adaptatiefase. Een kind kan nog weinig en reageert alleen op lust/onlust. Knuffelen, veiligheid, geborgenheid en nabijheid zijn belangrijk.
  2. 6-18 maanden: Socialisatiefase. Samen de wereld verkennen (zie foto hiernaast), wederkerigheid en zelfs symbiose in de relatie, twee is een.
  3. 18-36 maanden: Individuatiefase. Een kind wordt opstandig, krijgt een eigen wil en wil dingen zelf doen. Er ontstaat meer afstand, toch kan het kind niet zonder de belangrijke ander.
  4. 3 – 7 jaar: Identificatiefase. Meer loslaten, vertrouwen en nabijheid op afstand.
  5. 7- 12 jaar: Realiteitsbewustzijnsfase. Zelfverzekerder in het contact met anderen. Ook zonder de belangrijke ander situaties aankunnen en contact maken.


Deze fases komen ook terug in de theorie over de emotionele ontwikkeling. Cliënten hebben vaak een disharmonisch profiel: iemands leeftijd is bijvoorbeeld 30, zijn iq 50, maar emotioneel zit hij nog in de fase van 18-36 maanden. In die fase zitten gemiddeld veel mensen met een licht verstandelijke beperking en hechtingsproblematiek, daarop moet je dus insteken.


Overvragen gebeurt bij deze mensen vooral op het emotionele niveau, zeker als een visie op eigen regie voorbijgaat aan wat mensen aankunnen. Met vaak woedende uitbarstingen tot gevolg, zeker als mensen niet veilig gehecht zijn.

‘Je eerste levensjaren zijn de blauwdruk voor de rest van je leven’

Ouders zijn daarvoor je rolmodel. In je reacties op spanning kom je vaak terug bij hoe de belangrijke ander, je ouders, in je eerste levensjaren er voor je waren bij spannende situaties. Dat vormt de blauwdruk voor de rest van je leven en je interne werkmodellen: de manier waarop je kijkt naar relaties en nieuwe ervaringen inpast:

  • Ben ik veilig bij anderen of niet?•
  • Zijn anderen vriendelijk of vijandig?
  • Is de wereld om me heen rustig/ordelijk of chaotisch?
  • Hoe functioneren mensen daarin samen?

hechting10nov17miekeOnveilig gehecht

Als een kind in de eerste jaren geen onvoorwaardelijk beschikbare, aanwezige ouder heeft, dan raakt het onveilig gehecht. Veel mensen met een (licht) verstandelijke beperking en psychiatrische problemen hebben zo’n onveilige basis. Als normaal begaafde mensen op latere leeftijd in rustiger vaarwater komen en een stabiele relatie hebben, kan de hechting weer herstellen, in combinatie met therapie.


Bij mensen met een (licht) verstandelijke beperking is dit lastig: zij hebben daarvoor begeleiders nodig die betrouwbaar zijn: ‘doe wat je zegt en zeg wat je doet’ en hun in het hier en nu houden. De kunst van het begeleiden is de relatie aangaan. Maar bij hechtingsproblemen zit daar nu juist de spanningsbron.


Er zijn verschillende onveilige hechtingsstijlen en manieren waarop iemand die niet veilig gehecht is reageert op spanningsbronnen:
  1. Angstig ambivalent: het basisvertrouwen mist, door een hechtingsfiguur die je de ene keer bevestigt en de andere keer afstoot. Omstandigheden als verslaving of scheiding, maar ook de beperking van het kind zelf (bijvoorbeeld autisme) kunnen er voor zorgen dat hechtingsfiguren minder beschikbaar en responsief zijn/contact maken.
    Gevolg: het kind krijgt verlatingsangst, claimt aandacht in relaties, soms egocentrisch.
  2. Angstig vermijdend: ouders waren er wel, maar gaven geen liefde.

    Gevolg: het kind zoekt geen contact, is erg zelfstandig en vindt het moeilijk om relaties aan te gaan (bindings- en faalangst).

  3. Gedesorganiseerd: combinatie van beide bovenstaande hechtingsstijlen.


Gevolg: geen zelfvertrouwen, chaotisch gedrag, mensen scannen een situatie: hoe ga ik hier mee om? Reageren zowel met weglopen, zichzelf ‘uitschakelen’ als claimgedrag bij spanning.


hechting10nov17spel2Spelsituatie
Je helpt mensen door te achterhalen waar de spanningsbronnen zitten. Zo speelden Rob en Natasja een situatie waarin Natasja een vrouw met een licht verstandelijke beperking is die niet wil kennismaken met de nieuwe vriend van haar moeder. Als begeleider Rob dit niet aan haar moeder wil vertellen, ontploft ze. Bij het nabespreken blijkt Natasja nog in de eerste hechtingsfase te zitten en een verleden van misbruik door haar stiefvader. Je helpt haar door terug te gaan naar wat zij nodig heeft: vooral iemand die bij haar is, haar emoties erkent en moeilijke dingen even van haar overneemt.

Vaak speelt bij ouders ook verlatingsangst, waardoor ze hun kind blijven beschermen en niet laten exploreren. Als zij beseffen dat de oorzaak in de hechting ligt, kan de knop opeens omgaan en lukt het wel om samen met hun kind naar de volgende fase te gaan van meer vertrouwen en nabijheid op afstand. Daarvoor is veel diplomatie nodig, zowel naar de cliënt als naar ouders toe.


‘Een dun lijntje tussen lief en explosief’

Een graad erger is als mensen helemaal geen hechtingsfiguren hebben gehad in hun eerste levensfase. Mensen met een reactieve hechtingsstoornis voelen zich daardoor meestal afgewezen en ongewenst. Er is bij hen daardoor een dun lijntje tussen lief en explosief. Ze hebben niet geleerd om met spanning om te gaan, alleen om het op te zoeken of te mijden. Ze zijn hierdoor verslavingsgevoeling (copingstrategie: dempen van prikkels) en/of automutileren (spanning zoeken, aandacht vragen door lichamelijk te reageren op spanning).

Methode ARGOS
Met behulp van de werkbladen uit de methode ARGOS help je deze mensen overzicht, inzicht en uitzicht te geven. Belangrijk is dat je als begeleider vooral niet te veel praat, maar helpt door te doen. Bij een beheersende, sturende begeleidingsstijl gaan deze mensen van zich af slaan en schoppen. Wil je vooral aan de vertrouwensrelatie werken, dan gaan deze cliënten je ook negeren of afstoten, dat komt te dichtbij.

Het is makkelijk om teleurgesteld te raken in de ondersteuning van deze mensen. Maar het is triest als de begeleiding niet aansluit. Voorkom ten allen tijden dat je boos wordt en je eigen emoties en irritaties ingaat zetten omdat je onmachtig bent. Kijk vooral wat deze mensen nodig hebben om in balans te blijven en werk daaraan in kleine stapjes.

Daar helpt de methode ARGOS stapsgewijs bij. Het gaat altijd om Angst, waarbij duidelijke communicatie en ordenen helpt (Geef me de 5: leg uit wie, wat, waar, wanneer, hoe gaan we het doen). Kijk naar wat iemand wel wil en aankan. Probeer iemand niet te manipuleren of inwerken op zijn of haar geweten: ‘dat is voor je medebewoners toch ook niet leuk’?


Flitspalen
De woorden afspraken, moeten en niet roepen veel allergie op. Afspraken werken alleen als je iemand er ook bij kan helpen. In de methode ARGOS noemen ze dat ‘zichtbare flitspalen’: voorspelbare controles die iemand de mogelijkheid geven om zich aan de regels te houden.

Met behulp van de werkbladen uit deze methode bekeken de deelnemers van de studiedag aan de hand van eigen casuïstiek welke spanningsbronnen zij bij hun cliënt herkenden. Soms is de oplossing eenvoudig en zorgt meer lichamelijke inspanning al voor positieve ontlading. De deelnemers namen voor hun zoektocht hiernaar in de praktijk in ieder geval een flinke dosis kennis en levendige voorbeelden mee om de ondersteuning op aan te passen.  |

Mieke Janssens coacht en traint teams in de zorg, zie www.concretecoaching.eu . Vanwege de grote belangstelling herhaalt ze de Klik-studiedag over Onveilige hechting op 8 juni 2018 in Den Bosch. Inschrijven is mogelijk via www.klik.org/Studiedagen.

Lees een Klik-artikel over de methode ARGOS: